Stationskat

Vlug ren ik de trein terug in, op zoek naar de OV-kaart die ik momenten daarvoor in mijn broekzak niet kon vinden. Ik ga de rijen stoelen langs, maar ik vind hem nog steeds niet. Zodra ik echt zeker weet dat ik mijn voorgaande zitplaats gepasseerd ben, stop ik. Gepaniekeerd sta ik te denken wat ik nu moet doen, tot ik opeens wat verder een man iets naar de conducteur zie reiken. Ik vang wat van hun gesprek op en terwijl ik dichterbij loop, kan ik het gat in hun kennis, dat er merkbaar is, opvullen: “Ja, dat is mijn ov-kaart. Bedankt!”

Opeens besef ik me dat de trein verder zal rijden, dus ik snel me weer naar de deur. Ik druk op de knop en wacht tot de deuren voor me open gaan. Te laat. Ietwat verslagen sta ik daar nog terwijl mijn eerdere redder nog naar me roept: “Je hebt in ieder geval je ov-kaart nog.” Nog wat bitter van de nederlaag tegen de treindeuren reageer ik kortaf: “Ja, gelukkig wel.”

Eenmaal op het volgende station aangekomen stap ik uit en aangezien hier slechts één perron is, hoef ik niet ver te lopen. Ik plaats mezelf tegen een paal die er comfortabel genoeg uitziet om de komende minuten tegenaan te leunen terwijl ik op de trein wacht die me terug zal brengen. Nu ik daar eenmaal sta, besluit ik dat ik het eigenlijk niet eens zo heel erg vind. De zon schijnt op mijn gezicht en een aangenaam windje waait door mijn haren. Daarbij is het vrijdagavond, dus zeker in de vakantie heb je dan wel genoeg tijd, concludeer ik. Ik kijk wat om me heen, en opeens herken ik de fameuze, onofficiële stationskat. Van een dolenthousiaste vriendin kreeg ik uit het niets een selfie met deze specifieke kat en zij wees me daar pas nog op, toen wij weer hierlangs kwamen.

Helaas, de stationskat is al gekaapt door een meisje die innig oogcontact met het beestje onderhoudt. “Hij is sowieso buiten mijn bereik” vertel ik mezelf nog. Ik troost mezelf verder met de gedachte dat ik thuis nog twee tot tweeënhalve kat heb en ik geniet verder van het zonnetje op mijn bakkes. Na een minuut of twee komt toch mijn stationsvriendje met keurige kattenstapjes naar mij toe. Mijn kleine kornuit gaat netjes naast mij zitten en even twijfel ik, of hij geen vlooien of iets dergelijks zal hebben. Ik aanschouw zijn prachtig zwart glanzende vachtje, haal mijn spreekwoordelijke schouders op, beslis dat het mij het risico waard is en begin hem te aaien.

Teruggekomen op het station waar ik een kwartier of wat daarvoor ook al liep, zie ik dat de bus die mij naar Utrecht zou moeten brengen al vertrokken is, zoals ik al gevreesd had. De eerstvolgende zal pas over een halfuur verschijnen, dus ik stuur de vriend waar ik naar op weg ben dat ik een halfuurtje later zal zijn. Ik probeer het slechte nieuws nog wat te relativeren: “Het goede nieuws is dat ik nu wel een kat geaaid heb!”

Een busreis later zit ik in de trein die me naar mijn eindbestemming zal brengen, Amersfoort. Een jongen komt een meisje tegen die elkaar duidelijk maar vaagjes kennen, maar toch goed genoeg zodat het meisje even een ‘hoe gaat het?’-gesprekje begint. De jongen heeft de muse van zijn klaagzang gevonden. Hij probeert het enigszins laconiek te brengen, maar het is onmiskenbaar dat hij zijn reis spuugzat is, die overigens in lengte van tijd niet eens gek veel verschilt van de mijne. Dan bedenk ik me echter dat ik eigenlijk wel van mijn reis aan het genieten ben, en probeer te ontdekken waar het voor deze jongen dan fout is gegaan wat ik wel heb meegekregen. Ik kan maar één ding bedenken.

De wereld heeft meer stationskatten nodig.

Ga werken voor je geld!

Op een maandagmorgen zit ik op een perron van het hoofdstation van Dordrecht. Zoals vaker zit ik te wachten op de trein die mij naar België zal brengen. Normaal doe ik dat echter niet in augustus, maar aangezien dan in België de herexamens zijn, zal ik wel moeten. Een man met een petje en een andere huidskleur dan de mijne staat vlakbij het ijzeren bankje waar ik ben gezeteld. Zoals altijd probeer ik mijn uitstraling zo nonchalant en uitnodigend mogelijk te laten zijn, zonder een creep te worden. Na een tijdje blijk ik succesvol, hij gaat naast me zitten op het zwartgeverfde metaal. Nog een paar minuten later doet hij zelfs hetgeen ik niet verwachtte, hij begint tegen me te praten.

Nadat hij eerst gevraagd heeft of ik goed Nederlands spreek, begint hij tegen me te praten, en hoewel aan zijn Nederlands niks op te merken is, is het moeilijk hem goed te begrijpen doordat hij erg vlug en vluchtig spreekt, waardoor ik slechts wat flarden echt opvang. Hij vertelt achtereenvolgens dat hij uit Curaçao komt, iets met 17 euro en dat hij naar Zwolle moet. Ik onderbreek hem en zeg dat hij dan wel een andere trein moet hebben, aangezien deze regelrecht de andere kant op gaat. Dit wist hij al en hij gaat verder dat hij mensen hier en daar om hulp vraagt, dat hij honger heeft maar daar vraagt hij niets voor, hij wil gewoon door. “Je wilt dus geld?” vraag ik, nu zijn verzoek wat meer duidelijk begint te worden. Hij knikt en terwijl ik mijn portemonnee erbij pak, ratelt hij weer verder: “Gewoon een klein beetje, tien of twintig euro. Gewoon een klein beetje.” Ik schrik een beetje, die bedragen zijn weliswaar niet heel veel, maar vallen niet binnen mijn ‘klein beetje’ categorie en zeker niet binnen wat ik aan een wildvreemde zou geven op een station. Ik grabbel wat in mijn portemonnee en ik geef hem het schamele muntgeld dat ik nog had nadat ik de ‘ik ben maar een arme student’-kaart heb gespeeld.

Ik zit nog een beetje te denken over deze man, of ik er wel goed aan gedaan heb om hem geld te geven, of ik hem misschien niet even mee had moeten nemen om een broodje te kopen. Terwijl deze gedachten zich nog door mijn hoofd bewegen, klinkt er opeens weer een stem die tegen me gaat praten. “Niet normaal he? Dat sommige mensen anderen om geld gaan vragen in plaats van gewoon te werken.” Ik kijk op en de schoonmaker in een fluorescerend hesje waar deze woorden vandaan kwamen gaat verder met praten.
“Er is meer dan genoeg werk. Ik krijg steeds werk aangeboden, maar ik moet het afslaan, ik heb gewoon geen tijd. Ga werken voor je geld in plaats het van anderen te vragen.” Nog wat overvallen stamel ik dat het niet zo erg is om anderen te helpen als je het kunt missen. Hij vervolgt zijn betoog door te zeggen dat er genoeg mensen zijn die wel kunnen, maar gewoon niet willen werken. “Ik ben blij dat ik kan werken.” Ik beaam nog steeds wat stamelend zijn punt, en terwijl hij even stil is geeft hij toe dat het ook wel goed is om mensen te helpen, waarna hij stilletjes zijn werk weer oppakt nadat hij me een brede glimlach heeft laten zien.

Normaal kijk ik altijd met een zekere afschuw en medelijden naar schoonmakers op het station. Het lijkt mij altijd een rotbaantje om te hebben, vies, goor en opgejaagd (alles moet niet schoon, maar vlug). En dan ook nog eens zo’n lelijk hesje moeten dragen, als een soort extra trap na. Een baan voor als je echt niets anders kunt vinden. Toch proef ik niets van dat alles in deze man. Deze man is oprecht blij met zijn werk, om in goede gezondheid iets te kunnen doen voor hetgeen hij verbruikt. Hij verdient iedere cent die hij krijgt, en is er terecht trots op.
Behalve dat dit maakte dat ik nooit meer op dezelfde manier naar schoonmakers ga kijken, zorgde het ook dat het hele betoog tegen de man met het petje ook een stuk geloofwaardiger was. Niet alleen omdat hij een terecht punt maakte, maar vooral omdat hij het niet uit haat, nijd, opgekropte frustratie of jaloezie sprak, waar deze betogen toch meestal vandaan komen. Niets van dat alles was te zien in de ogen van deze man of te horen in zijn stem. Nee, deze schoonmaker snapte het gewoon niet. Hij was trots op zijn werk en wenste dat anderen ook toe. Hij veroordeelde niet, maar was oprecht begaan met zijn medemens. En waar de man met het petje misschien zonder dat hij er iets aan kon doen allerlei PVV stereotypes in de hand speelde, brak deze man ze actief keihard weer af.

Ook de schoonmaker had namelijk een andere huidskleur dan ik.

 

Ik weet niet of jij dat kan

Mijn frikandelbroodje schuift wat verder naar de caissière die de band stukje bij beetje verder naar zich toe haalt, en ik schuifel stukje bij beetje mee. Mijn hand verdwijnt nog eens in mijn linkerbroekzak. Ik voel daar nog steeds het bonnetje waarmee ik kan bewijzen dat mijn rugzak vol spullen echt uit de supermarkt hiertegenover komt, en dat ik er ook voor betaald heb. Om het voor dit frikandelbroodje van twee euro op een rennen te zetten vind ik ook wel erg armoedig. Zeker aangezien ik als een ware middelbare scholier hier sta met slechts dit ene frikandelbroodje op de loopband, puur omdat mijn binnenste daarnaar hongerde. Ik had hem natuurlijk met mijn andere boodschappen samen kunnen halen, maar in de andere supermarkt waren ze op, dus sta ik hier om mijn honger te stillen. Waar ik eerst dacht dat dit nog een zekere nostalgie met zich mee zou brengen, sta ik nu in de rij met een bepaalde schaamte en ongemak. Die zullen wel meekomen met het teruggrijpen naar de puberteit.

Vlak voordat ik aan de beurt ga zijn, ontstaat er wat ongemak bij de kassa naast de mijne. Een man die alleen Engels spreekt (of gewoon doet alsof voor de grap) lijkt het concept van een ‘alleen pinnen’ kassa niet te begrijpen. Lichte paniek suist door de lucht, maar deze doorgewinterde supermarktmakrelen hebben duidelijk vaker met dit bijltje gehakt en ze maskeren de ontstane spanning dan ook uitstekend door over en weer grappend te zeuren over dat het nu weer de zoveelste keer is dat dit gebeurt. Laat je vijand nooit weten dat je bang voor hem bent.

Vlotjes komt Anita te hulp snellen. Ik heb geen idee of ze daadwerkelijk Anita heet, maar zo heb ik haar maar even gedoopt. “Als het zo doorgaat, gaan we sluiten hoor!” roept ze jolig vooruit. Als ze de benauwde blik in mijn ogen ziet, vormt ze meteen een niet heel overtuigende glimlach om daarmee duidelijk te maken dat de opmerking niet zo serieus bedoeld was. Anita is echter voor niets achter haar veilige hokje vandaan gekomen, want onmiddelijk blijkt dat ik met mijn onbewust scherpe onderscheidingsvermogen de beste cassière heb uitgekozen die dit dorp te bieden heeft. Laten we haar Rita noemen. Met ijzersterke doorzetting draait Rita zich om en vertelt deze man waar het op staat, waarmee ze alle inzet van Anita kansloos laat. “You can’t pay with money here.”

Anita druipt samen met de man af naar ergens waar hij kan betalen. Nog wat verbijsterd over de uitspraak van Rita en vooral afvragend waarmee je dan wel moet betalen, is mijn beurt gekomen om op audiëntie te komen bij de ijzeren kassadame. Mijn lunch wordt gescand en het vereiste bedrag wordt meegedeeld. Mijn portemonnee is al uit mijn zak verschenen en ik vraag op een klantvriendelijke toon of ik kan pinnen. Rita is duidelijk geen moment verslapt en antwoord gevat: “Ik weet niet of jij dat kan.” Het is niet dat ik nog nooit eerder met deze opmerking geconfronteerd ben. Sterker nog, een van mijn vrienden maakt hem steevast als hij in mijn nabijheid is wanneer ik wil pinnen. Toch word ik wel wat zenuwachtiger nu Rita dit zegt. Zij heeft namelijk momenten daarvoor nog een fundamenteel idee van mij neergehaald en opeens begin ik aan mezelf te twijfelen.

Als ik hier al niet met geld kan betalen, kan ik dan wel pinnen?

 

 

De camping is verschrikkelijk

Ik heb een hekel aan kamperen. Ik denk dat ik te veel waarde hecht aan dingen als normale elektriciteit, in ieder geval de mogelijkheid hebben om eindeloos te kunnen douchen en iets meer dat mij scheidt van de onvermijdelijke Nederlandse regen dan een stoffen doek. Het is ook niet dat ik me dichter bij de natuur voel als iedereen een afgemeten hokje krijgt toegewezen op velden van keurig gemaaid (of platsgestampt) gras die onderling verbonden zijn door geasfalteerde wegen en waar hier en daar plompe toiletgebouwen zijn geplant om te voorkomen dat mensen daarvoor hun toevlucht in een greppel zoeken. Nu is het natuurlijk heel gezellig op een camping, maar ik zoek die gezelligheid over het algemeen liever op een plek waar mijn humeur iets minder tegen de omstandigheden hoeft op te boksen.

Toch kon je mij de afgelopen twee weken op een camping vinden. Ik fietste daar rond op krakkemikkige felgekleurde fietsen, kletste hier en daar wat met mensen op de camping en was vaak te vinden in een hele grote Witte Tent. Om te benadrukken dat ik bij deze Witte Tent hoorde, droeg ik een shirt waar dit op stond en bungelde er een koord om mijn nek waar dit ook leesbaar was. Als een soort levend reclamebord begaf ik me op deze camping en mocht ik Dabarwerk doen, evangelisatie en recreatie. Dat ik bij Dabar hoorde was ook te zien op mijn shirt, net zoals mijn naam en de quasi inspirationele tekst “Love like I’m not scared”.

Hoewel het ik dit voor het derde jaar deed, was het een hele verantwoordelijkheid. Ik moest altijd vriendelijk lachen naar iedereen die ik tegenkwam, omdat ik de Witte Tent overal met me meedroeg. Ik moest jongeren bezighouden, maar ook dingen voorbereiden, zoals tienersoos en avondsluiting. Hiernaast was er iedere ochtend Kinderclub, moest ik bij allerlei activiteiten aanwezig zijn, waren de nachten kort en het huishouden moest ook nog eens draaiende blijven, wat betekende dat ik regelmatig aan het bezemen was. Al met al droeg dit dus niet echt bij aan mijn liefde voor de camping.

Althans, dat had het gedaan als ik op zo’n manier naar deze weken gekeken had. In werkelijkheid had ik eindelijk genoeg motivatie om vol goede moed iedereen een fijne dag toe te wensen. Ik mocht een heerlijke tijd hebben met jongeren en het gezellig met hen hebben, maar tegelijk mocht ik ook door avondsluiting en tienersoos de serieuzere onderwerpen aansnijden, laten zien wat mij drijft. Zo kon ik bijvoorbeeld bij tienersoos met wat eieren als voorbeeld iets over Gods liefde vertellen. Iedere ochtend weer mocht ik de dag beginnen met een heleboel razend enthousiaste kinderen die niet anders konden dan je een vrolijk begin van de dag geven.
Ik heb mee mogen doen met allerlei fantastische activiteiten, van Checkpoint met een hand in vuur en vlam tot een ontzettend geslaagde talentenshow vol gedreven deelnemers tot spannende volleybaltoernooien waar we zelfs nog onze eigen taart aan over hebben gehouden. De nachten waren kort, maar dat kwam niet voor een klein deel door de gezellige momenten met een geweldig team, of door het rustgevende schrijven bij kaarslicht als iedereen ligt te slapen. Zelfs het schoonmaken en afwassen was een zegen, omdat zelfs ik, onpraktisch als ik ben, toch praktisch mijn steentje kon bijdragen in het kleine dat moest gebeuren.

Al met al heb ik heel erg genoten van mijn tijd op de camping en ben ik nog steeds aan het nagenieten. Het weer zat niet altijd mee, je moet fietsen om bij een douche te komen en je voelt je wel wat afgesloten van de buitenwereld, maar dat is het allemaal meer dan waard. Ik heb een heerlijke tijd gehad, met een geweldig team, maar vooral ook met ontzettend leuke campinggasten, van klein tot steeds iets groter. Ik mocht verder ontdekken en ontwikkelen waar ik goed in ben, en waar ik misschien niet goed in ben, maar wat ik toch wel kan. Ik ben gekomen om iets te brengen en te delen van wat mij drijft in het leven, wat ik ook heb mogen doen, maar ik heb ook heel veel mogen ontvangen en ik ben voor alles alleen maar dankbaar. Als een camping dit met zich meebrengt, kan ik maar één ding concluderen.

Was de hele wereld maar een camping.

Zie je het zitten?

Twee vragende ogen kijken me aan nadat de vriendin aan wie zij toebehoren mij deze vraag heeft gesteld. In het gesprek waar deze vraag uit voortvloeit, hebben we net gesproken over het aanstaande Dabarwerk dat ik zaterdag zal gaan starten. Twee weken lang op een camping te staan om daar leuke dingen te organiseren en veel plezier te beleven, maar ook zeker om als team iets te hopen delen van wie God voor ons is en hoe wij ons geloof ervaren, door woord en daad. Recreatie en evangelisatie, hand in hand. Het is alweer het derde jaar dat ik dit mag gaan doen, dus op zich is de eerste spanning er wel ietwat vanaf, hoewel dat altijd wel een beetje blijft. Wat maakt dat ze deze vraag stelt heeft echter een reden. Dit jaar ben ik teamleider.

Mijn gedachten schieten terug naar de gesprekken die ik hier eerder over gehad heb. Vaak heb ik gesproken met mensen en in mezelf nagedacht over hoe ik zo goed mogelijk het team kan leiden en tegelijkertijd dat toch echt als mezelf te doen. Niet mezelf te verliezen als ik iemand anders die succesvol lijkt imiteer. Eindeloos nagedacht en bij tijden gepiekerd hoe ik deze taak voor elkaar ging krijgen, hoe ik mezelf en mijn team allebei het best tot hun recht kan laten komen. Dat ik toch de krachten van de vorige teamleider wil overnemen en haar zwakheden het liefst wil oplossen. De perfecte teamleider wil zijn, die uiteraard wel zwakheden kent, maar die toch geheel onder controle heeft.

Mijn hand beweegt zich haast onwillekeurig naar de oranje stropdas die om mijn nek hangt. Aangezien we op de bruiloft van een bestuursgenoot van mij zijn, heb ik voor haar deze uitgekozen, als een reliek dat terugwijst naar onze bestuurstijd. Terwijl mijn hand de felgekleurde stof strijkt, denk ik terug aan het afgelopen jaar. Ik heb veel plezier gehad, veel geleerd en een leuke tijd gehad. Ik heb dus zeker geen spijt dat ik me ooit Abactis mocht noemen. Daarentegen heb ik ook genoeg mezelf (en anderen) teleurgesteld, vaak genoeg getoond dat ik niet altijd gekwalificeerd ben en dat ik vaak (of vaker) geleid moet worden in plaats van te leiden. Ik blijk niet altijd de natuurlijke leider te zijn die ik soms droom te zijn.

Maar dan bewegen mijn gedachten zich ook naar mijn team, die niet altijd doen wat ik wil, maar vaak iets veel beters in zich hebben. Hoe ze mij de afgelopen tijd hebben verrast, met goede ideeën kwamen en geweldige resultaten van hun voorbereiding toonden. Hoe zij inzet en initiatief hebben getoond, enthousiasme om weer te beginnen, liefde te tonen aan de camping en alle mensen die zich daar bevinden. Hoe een enkeling van hen juist mij moed in heeft gepraat, en hoe zij allen hebben getoond dat ze echt wel weten dat het gaat lukken, hun vertrouwen tonend in woord en daad. Daarmee laten zij zien dat ik me vaak veel te druk maak, dat ik niet zo op mezelf en mijn rol hoef te zijn gericht, aangezien zij die van hun met verve verrichten.

Het hangt niet van mij af, hebben zij al bewezen de afgelopen twee jaar dat ik met hen dit werk mocht doen. Dat geeft mij ruimte, niet om lui achterover te zitten, maar wel om op een zo goed mogelijk manier mijn plaats in het team in te nemen. Zonder zorgen mogen zijn wie ik ben. Struikelend, vallend, maar niet om krampachtig te blijven liggen, maar op te staan en te leren hoe ik iets verder kan lopen de volgende keer.
De vragende ogen zijn nog steeds op mij gericht, en ik kan ze in alle oprechtheid slechts één antwoord bieden.

“Ja, eigenlijk wel.”

Een half begin is ook goed werk

Naast mijn bed heb ik een boekje, of tenminste, meer een schrijfblok. Als ik in bed lig en ik opeens een idee krijg of overvallen wordt door een vlaag van inspiratie, wil ik dat opschrijven. Om te zorgen dat ik dan niet helemaal naar beneden hoef iedere keer en daarmee mijn studiogenootje wakker maak met mijn gestommel, heb ik dat schrijfblok naast mijn bed gelegd.
Aangezien mijn studiogenootje altijd wat lichtgeraakt is als hij probeert te slapen, vermijd ik maar de schakelaar van mijn bedlampje. Ik heb mezelf dan ook getraind om bij het zachte rode licht van de cijfers van mijn wekker te schrijven. Pas heb ik het zelfs zonder enig licht gedaan, toen ik op vakantie was, en het ging nog best goed ook. Het was in ieder geval leesbaar, bleek de volgende ochtend. Dat was een trots moment.

Op dezelfde manier heb ik een zwart boekje dat ik een keer bij mijn oma vandaan heb, al betwijfel ik of zij er nog vanaf zou weten, die een velerlei doelen kent en welke ik altijd bij me streef te hebben, ondere andere zodat ik ook weer dingen kan opschrijven die me overkomen. Deze lijn doorzettend kent de wanorde van mijn bureau een magneetbord met daarop briefjes gepind met halve volzinnen erop gepend, ook weer notities die ik later nog eens hoop uit te werken tot volle verhalen. De kunst is altijd om deze notities kort en bondig te houden, maar het niet zo cryptisch te maken dat ik later mijn eigen notities moet gaan ontcijferen.

Angstig dat ik het later anders zou vergeten, heb ik deze dingen opgeschreven, al gebeurt het nog vaak genoeg dat iets verloren raakt tussen mijn hersenspinselen als ik even geen schrijfgerei in de buurt heb of iets anders opeens mijn aandacht opeist voordat ik mezelf de kans heb gegeven de pen tegen het papier te drukken.
Eens in de zoveel tijd gebeurt het dat door uitverkiezing in mijn genade een briefje zich uit de eindeloze stapel mag ontworstelen. Dan begin ik vol enthousiasme aan het schrijven en verschijnen er in rap tempo letters op mijn scherm terwijl het knipperende streepje steeds verder naar rechts verschuift en regel na regel naar beneden wordt gedwongen.

Na een tijdje echter heb ik het punt bereikt dat ik erachter kom dat mijn idee toch echt leuker klonk in mijn hoofd en niet zo goed werkt op papier, dat het hele verhaal het gewoon net niet is of dat ik niet zo goed weet hoe ik het eindigen wil en bijvoorbeeld niet zo goed op een gepaste clou weet te komen. Te vaak gebeurt het dat een schrijfsel zo een stille en soms wat pijnlijke dood sterft (of eigenlijk halfdood blijft liggen), nadat gebleken is dat hij praktisch onhandelbaar is, alleen in mijn belevingswereld bleek te werken of dat ik na een tijdje gewoon vergeten ben eraan verder te gaan en nooit meer de draad heb opgepakt.

Zo kan ik ook hier genoeg voorbeelden van opnoemen, van het Grote Verhalenboek© dat ik voor mijn verjaardag kreeg waarin ik mijn eigen versie van Pippi Langkous aan het creëren was, tot een ander zwart boekje waar ik alle mooie, memorabele momenten van mijn leven in wilde schrijven. En dan heb ik nog niet eens gesproken over de vele word-bestandjes die de krochten van mijn laptop kent. Sterker nog, dit verhaal dreigt ook bijna te eindigen als zo’n bestandje dat in de vergetelheid vergaat.

Ironisch genoeg heb ik namelijk nog steeds geen passend einde bedacht.

 

 

Duits spreek ik niet

Deze week bevond ik mij over de grens. Nu ik in België studeer is dat niet zo’n gek fenomeen, ware het niet dat ik mij zelfs daar niet begaf. Aangezien het vakantieseizoen is aangebroken, vond ik tijd om eens met een vriend van me de grens naar Duitsland over te steken voor een paar dagen.
Bratwurst eten (volgens de Duitse Wikipedia schrijf je het zo), mooie natuur bekijken, genieten van de Duitse nauwkeurigheid (Pünktlichkeit volgens Wikipedia) waarmee zij alles doen en natuurlijk de Autobahn bedwingen met een Twingo. Dolle pret en bij tijd en wijlen potentieel levensbedreigend. Ik heb alleen één groot probleem ontdekt met Duitsland. Ze spreken er Duits.

Nu moet je me niet verkeerd begrijpen hoor, ik kan heus wel de meerwaarde van de Duitse taal inzien. Ik ben zelfs een keer naar de Matthäus Passion geweest, hét bewijs dat Duits veel meer is dan slechts een taal voor boze mensen. En alhoewel ik Duits zo snel mogelijk heb laten vallen op de middelbare school en ik in de jaren daarvoor er ook geen innige liefdesband mee heb onderhouden, heb ik mezelf deze dagen zeker niet teleurgesteld in hoeverre ik dingen weet op te vangen en enigszins weet te begrijpen wat er gezegd wordt. Dat is dus het probleem niet zozeer.

Echter, als ik moet gaan spreken, dan begint de ellende. Gelukkig had ik een vriend bij me die zich graag in het Duits begrijpelijk probeert te maken. Of althans, hij doet het, en volgens mij geniet hij er ergens wel van. Resultaat is dat, hoewel ik normaal gezien graag praat, ik me deze dagen stilzwijgend heb gehouden in het bijzijn van Duitsers. De schaarse keer dat ik me in mijn eentje moest redden, week ik snel uit naar de Engelse taal of waagde ik me aan de meest primitieve vorm van gebarentaal, door bijvoorbeeld de Duitser in kwestie genoeg geld toe te reiken met het vermoeden dat het de vragende ogen aan de andere kant van de toonbank tot genoegdoening zou manen.

Vandaag waagden wij ons in Keulen als tussenstop naar huis. Een derde vriend die toevalligerwijs ook in Keulen was voegde zich bij ons reisgezelschap. Deze derde musketier studeert ook nog eens Duits, dus ik sprong een gat in de lucht dat ik nu een heel nieuw model tolk had, aangezien mijn oude toch al wat slijtageplekken in zijn motivatie begon te vertonen. En aangezien ik deze oude toch nog achter de hand had, was ik blijer dan de jongens van Lieve Bertha (een goede maatstaf van blijheid).

Ik testte mijn nieuwe tolk uit om een bratwurst te bemachtigen en hij deed uitstekend zijn werk, dus toen we later op de middag gedrieën in een boekenhandel terechtkwamen, was ik me zeker van een dag zonder verdere ongemakkelijke gesprekken. Hoewel ik überhaupt aanvankelijk had gedacht dat mijn portemonnee met hetzelfde gewicht waarmee hij binnenkwam de winkel zou verlaten, aangezien het overgrote gedeelte van het assortiment Duitstalig was, had ik toch twee, weliswaar Engelse, boeken gevonden die ik voor een schappelijk prijsje de winkel uit zou begeleiden. Eenmaal bij de kassa aangekomen, kreeg ik het bedrag te horen en opeens stroomt een waterval van perfect Duits uit mijn mond. Althans, in mijn verbeelding. In werkelijkheid liet ik de tamelijk zuinige woordjes “Kann ich mit Karte” zachtjes vallen en in de stilte die daarna volgde hielp de kassavrouw hopeloos vertederd mij uit de zin waar ik geen idee van had hoe deze te eindigen, aangezien ik al geen idee had hoe ik hem ooit begonnen was, en zij pakte mijn betaalkaart aan die ik ondertussen in mijn hand genomen had. In blinde euforie over het feit dat ik de Duitse taal eindelijk aan mijn voeten heb gelegd, liep ik de winkel uit, mét mijn nieuw bemachtigde boeken.

Mijn zonnebril echter, naar later blijken, heb ik op dat stukje aarde achtergelaten.